Jan-Joost ter Pelkwijk "Pelk"

 

  • Periode:
  • Archiefinstelling:
  • Provincie:
  • Soorten:
  • Bron: 

 

  • Inleiding

 

 

  • Archiefbeschrijving

 

 

  • Downloads
  • Over de archiefvormer

Uit K.H. Voous, In de ban van vogels, Uitgeverij Scheffers, 1995. [10.VIII.1993]

Ter PELKWIJK, Jan Joost, 24 october 1914 - 2 maart 1942, levendig en veelbelovend bioloog met grote ornithologische belangstelling. Joost of "Pelk", zoals zijn vrienden hem noemden, groeide op in Den Haag, waar zijn vader gemeentesecretaris was, tot diens benoeming als burgemeester van Utrecht in 1934. Hij was een moeilijk, zelfstandig denkende en onderzoekende scholier, die zich pas op de particuliere middelbare school van de legendarische G.J. Tijmstra in Den Haag wist te ontplooien. In Tijmstra's vogelclubje van "Haagse Trekwaarnemers" leerde hij vanaf 1930 een aantal gelijk gezinde jongeren kennen, zoals G. van Beusekom, Piet J. Bouma, Frans P.J. Kooijmans, Niko Tinbergen en Karel Waldeck. Later maakte hij vele andere vrienden in de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), waarbinnen hij zich zeer thuis voelde en waarvoor hij artikelen in Amoeba schreef. In genialiteit, oorspronkelijkheid, tekenvaardigheid en humor had hij veel gemeen met Luuk Tinbergen, met wien hij zeer bevriend was en met wien hij in hetzelfde jaar aan de universiteit in Leiden aankwam (1933).
Nog geen 19 jaar oud maakte hij, als geschenk voor het behalen van zijn schoolexamen, samen met Frans Kooijmans in 1933 vanuit Kopenhagen (waar zij na een lange fietstocht de boot misten en pas vanuit Helsingör met een loodsboot nog net het Deense bevoorradingsschip "Gertrud Rask" wisten te bereiken) een avontuurlijke reis naar Oost-Groenland. Hier werden zij verwelkomd door Niko en Lies Tinbergen-Rutten, die daar de overwintering van de Tweede Pooljaar Expeditie hadden meegemaakt.
Joost studeerde biologie aan de Rijksuniversiteit Leiden (1933-1939), waar hij als assistent van Niko Tinbergen, zelf destijds assistent van professor C.J. van der Klaauw, onder meer het gedrag van Driedoornige Stekelbaarzen bestudeerde (De Levende Natuur 41 (1936): 129-137 - met nu welhaast klassieke tekeningen van Ter Pelkwijk). Voor W.H. van Dobben illustreerde hij het onderling verschillende gedrag van Eidereenden en Bergeenden bij de verdediging van hun donsjongen tegen Zilvermeeuwen (De Levende Natuur 41 (1937): 353-361). Later verschenen ook de actietekeningen van Sneeuwgorzen, die hij voor Niko Tinbergens belangrijke publicatie over het gedrag van deze vogels tijdens de Groenlandse lente en zomer had gemaakt (Transactions Linnean Society New York 5, 1939). Alles in de natuur boeide hem en wond hem op, zoals het leven van Zeehonden en het ontstaan en de vegetatie van de Slufter op Texel, waarover hij met de Amsterdamse NJN-er Jan Schoute in De Levende Natuur schreef (42 (1938): 232-238).
"Reeds in 1936, drie jaar na zijn aankomst als student in Leiden, vatte hij in opdracht van de Dienst van de Zuiderzeewerken een onderzoek aan naar de mogelijkheid, om voor de uit zee komende palinglarven, de zgn. glasaaltjes, een gelegenheid te scheppen om het IJsselmeer binnen te komen. Ten dele onder leiding van dr. B. Havinga en dr. J. Verwey, ten dele zelfstandig werkend, wist hij dit onderzoek tot een voortreffelijk einde te brengen" (N. Tinbergen 1948: 10).
Vlak voor de Duitse inval in Nederland was hij naar Amerika vertrokken, op doorreis naar Suriname, waar hij een dierkundig proefschrift hoopte te bewerken. In de Verenigde Staten ontmoette hij in de rampmaand mei 1940 in Chicago de gedragsonderzoekster Margaret M. Nice (1883-1974), die hem van het begin aan bewonderde en met wie hij in korte tijd enkele publicaties over de Zanggors Melospiza melodia verzorgde en illustreerde, waarbij vooral die over het herkennen van roofvijanden (uilen!) opvalt (Auk 57 (1940): 520-522, 58 (1941): 195-214). Ondanks zijn jeugdige leeftijd en de korte duur van zijn bezoek was Ter Pelkwijk een inspirerend ambassadeur van de Nederlandse ornithologie, die veel indruk heeft achtergelaten, ook bij de zoölogen van de Universiteit van Chicago als dr. W.C. Allee, dr. Alfred Emerson en dr. Carl Moore. Hij schreef in die tijd voorts Fowling in Holland in Bird-Banding (12, 1941).
Eind 1940, toen het duidelijk was, dat de Surinaamse plannen niet konden doorgaan, aanvaardde hij een betrekking bij het Instituut voor de Zeevisserij te Batavia (Jakarta) op Java. Gelijktijdig onderging hij daar een militaire training bij de marine. De veelvormigheid en de schoonheid van de tropische natuur hebben hem overweldigd. Hij schreef er met volle ontdekkersvreugde over in een brief van 26 april 1941 aan zijn New Yorkse vogelvrienden, later afgedrukt in de bundel "Deze mooie wereld" (1948: 74-80) en ook volledig vermeld door Margaret M. Nice in haar autobiografie (1979: 223-227). Het was de tijd, dat er in de rijstvelden rond Batavia nog honderden reigers van minstens 9 soorten gezien werden, dat Rijstvogels Padda oryzivora en Javaanse Spreeuwen Sturnopastor contra nog talrijk waren en dat de Langstaartklauwier Lanius schach nog als een algemene "stadsvogel" kon worden beschouwd.
Na de Japanse inval in Nederlands-Indië meldde hij zich op 1 maart 1942 vrijwillig als lid van de bemanning van de hulpmijnenveger H.M. "Endeh", die wilde trachten naar Australië te ontkomen. Maar bij het treffen met een Japans vliegdekschip en twee jagers is hij op 2 maart 1942 als een der eersten gesneuveld.
Joost ter Pelkwijk had vele intellectuele en artistieke gaven van hoofd, handen en hart, Niko Tinbergen besloot zijn uitvoerige levensbeschrijving van Jan Joost ter Pelkwijk als volgt: "Wij, die hem zijn vleugels hebben zien uitslaan, zullen nooit vergeten, wat hij in ons wakker geroepen heeft. Maar hij is onvervangbaar, uniek, en het is menselijk, wanneer wij niet kunnen nalaten te denken, hoeveel rijker het leven van zovelen onzer zou geweest zijn, wanneer Pelk tot volle rijping had kunnen komen" (1948: 16). Ironisch genoeg, zouden deze woorden minder dan tien jaar later ook op Pelks vriend en studie- en geestgenoot Luuk Tinbergen van toepassing hebben kunnen zijn geweest. 

Biografie

Van Dobben (1946), Hoogerwerf (1948), Jacques (1942), Nice (1946, 1979), N. Tinbergen (1948). 

Publicaties 

Enkele opstellen en tekeningen zijn posthuum samengevat in Deze mooie wereld (Ter Pelkwijk, 1948).